ECLI:NL:CRVB:2020:1925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag ouderdomspensioen AOW wegens ontbreken nieuwe feiten
Betrokkene had in 2011 een aanvraag om ouderdomspensioen (AOW) ingediend die werd afgewezen. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit in stand, inclusief een niet-ontvankelijk verklaard cassatieberoep bij de Hoge Raad.
In 2016 diende betrokkene een herhaalde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelden appellanten dat betrokkene wel verzekerd was geweest voor de AOW, onderbouwd met stukken over wonen en werken in Nederland. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) voerde aan dat er geen procesbelang was en dat de stukken al in eerdere procedures waren betrokken.
De Raad oordeelde dat appellanten wel procesbelang hadden als erfgenamen en dat de herhaalde aanvraag terecht was afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Ook was het besluit niet evident onredelijk. Omdat betrokkene inmiddels was overleden, was er geen aanleiding voor een beoordeling van aanspraken vanaf de herhaalde aanvraag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag om ouderdomspensioen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.