ECLI:NL:CRVB:2020:1938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische rapporten een arbeidsongeschiktheidspercentage van 31,87% vast en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling van het UWV voldoende was gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat, met name op het gebied van aandacht, geheugen en urenbeperking. Zij overlegde een rapport van een bedrijfsarts ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat dit rapport geen aanleiding gaf tot een ander oordeel, omdat de klachten al bekend en meegewogen waren en onvoldoende objectief waren onderbouwd.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst juist waren vastgesteld en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.