Uitspraak
19.1674 WIA
1 maart 2019, 18/4041 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als transactieverwerker, meldde zich in december 2013 ziek met psychische klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een verzekeringsgeneeskundig heronderzoek in 2016 en 2017 stelde het UWV vast dat haar beperkingen niet waren toegenomen en dat haar arbeidsongeschiktheid rond 54% lag. Het UWV besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten, wat appellante betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, stelde zij zich volledig arbeidsongeschikt, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig. De Raad benadrukte dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook al was de primaire arts nog in opleiding, omdat haar rapporten door een verzekeringsarts waren getoetst. Nieuwe medische informatie van oktober 2019 zag niet op de relevante periode. De Raad bevestigde dat appellante medisch geschikt is voor de functies waarop de uitkering is gebaseerd en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.