ECLI:NL:CRVB:2020:1943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid beperkingen en functies bij WIA-uitkering appellant met diabetes mellitus type 1
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, meldde zich in februari 2014 ziek vanwege ontregeling van insuline-afhankelijke diabetes mellitus type 1 en psychische klachten. Het UWV stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep werd de FML aangepast en werd een arbeidsongeschiktheid van 68,35% vastgesteld, met selectie van passende functies.
Appellant betwistte dat de FML voldoende rekening hield met zijn beperkingen, met name dat hij deskundige hulp van een EHBO-gediplomeerde nodig zou hebben bij onvoorspelbare diabetische ontregelingen. De rechtbank volgde echter het UWV en de arbeidsdeskundige die stelden dat een BHV-er voldoende is toegerust om eerste hulp te bieden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat de FML onvoldoende rekening houdt met bijkomende klachten zoals oogproblemen en fijne motoriek. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de FML van 20 april 2018 adequaat is en de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. De Raad acht de aanwezigheid van BHV-ers als voldoende deskundige hulp en wijst de overige bezwaren af. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beperkingen en geselecteerde functies medisch juist zijn vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.