ECLI:NL:CRVB:2020:1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing flankerende voorzieningen na ontslagaanvraag politie
Appellante heeft op 29 juni 2018 ontslag aangevraagd vanwege een andere baan per 1 september 2018. Pas op 11 juli 2018 verzocht zij om flankerende voorzieningen, waaronder een vertrekstimuleringspremie en kwijtschelding van de terugbetalingsverplichting voor ouderschapsverlof. De korpschef wees deze verzoeken af omdat de ontslagaanvraag losstond van de voorzieningen en bevordering van het vertrek niet meer nodig was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de flankerende voorzieningen niet toegekend konden worden omdat de verzoeken na de ontslagaanvraag waren gedaan. Appellante stelde in hoger beroep dat zij voldeed aan de voorwaarden en dat de aanvragen als aanvulling moesten worden gezien, maar kon niet aantonen dat de overbezetting ten tijde van haar verzoek bestond.
De Raad bevestigt dat de stimuleringspremie bedoeld is om medewerkers te bewegen ontslag te nemen om boventalligheid te verminderen. Aangezien appellante al ontslag had genomen en dit niet afhankelijk had gesteld van de voorzieningen, zou toekenning hiervan in strijd zijn met de strekking van de maatregel. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de flankerende voorzieningen bevestigd.