ECLI:NL:CRVB:2020:1981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, een voormalig internationaal chauffeur tankwagen, meldde zich ziek met psychische klachten en kreeg vanaf 9 maart 2015 een Ziektewet-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 juni 2015 omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Appellant diende bezwaar in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. Vervolgens verzocht appellant in juni 2016 om herziening van het besluit, wat door het UWV werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de door appellant aangevoerde informatie geen nieuwe feiten of omstandigheden vormde die herziening rechtvaardigden. De medische verklaring van een psychiater, overgelegd in beroep, werd buiten beschouwing gelaten omdat deze niet tijdig was ingebracht. In hoger beroep voerde appellant aan dat deze verklaring alsnog in aanmerking genomen moest worden en dat het UWV het bezwaar niet inhoudelijk had behandeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit te laat was ingediend en dat het besluit tot beëindiging van de uitkering daarmee vaststaat. Toetsing aan artikel 4:6 Awb Pro leidde tot de conclusie dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. De Raad onderschreef de motivering van het UWV en de rechtbank en vond geen aanleiding het besluit als evident onredelijk te beschouwen. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.