ECLI:NL:CRVB:2017:1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft sinds september 1988 ziekte en verzocht het UWV om herbeoordeling van zijn aanvraag voor een WAO-uitkering. Het UWV wees dit verzoek af omdat het een herhaalde aanvraag betrof zonder nieuwe feiten of omstandigheden sinds het oorspronkelijke besluit van 14 augustus 1989.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de aanvraag af te wijzen. Appellant voerde aan dat hij destijds ziek was en niet kon werken, maar kon geen nieuwe feiten overleggen die het eerdere besluit konden wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de ingediende stukken grotendeels al bekend waren ten tijde van het oorspronkelijke besluit. Medische informatie over een korte rustperiode in 2014 kon niet leiden tot herziening van het besluit uit 1989.
De Raad bevestigde dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen nieuwe feiten zijn en dat het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep van appellant werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot afwijzing van de herhaalde aanvraag wordt bevestigd.