ECLI:NL:CRVB:2020:1987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies bij WIA-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als algemeen medewerker bakkerij, meldde zich ziek met knieklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en bracht een rapport in waarin werd gesteld dat hij niet kan knielen of hurken.
De rechtbank oordeelde dat appellant wel één tot twee keer per dag kan knielen of hurken, omdat hij grondbereik kan realiseren, en dat de geduide functies medisch passend zijn. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van een andere verzekeringsarts negeerde en verzocht om een onafhankelijk onderzoek.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat de definitie van knielen of hurken in de Basisinformatie CBBS en het interpretatiekader correct zijn toegepast. Uit het onderzoek blijkt dat appellant met moeite grondbereik kan realiseren, waardoor hij incidenteel kan knielen of hurken. De functies waarbij knielen of hurken voorkomt zijn passend, en de mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld onder 35%. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant incidenteel kan knielen of hurken en dat de WIA-uitkering terecht is geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.