1.5.Bij besluit van 14 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb de over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 gemaakte kosten van AIO-aanvulling tot een bedrag van € 22.480,74 van appellanten teruggevorderd. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten, door niet te melden dat zij beschikken over een woning in Turkije, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij als gevolg daarvan ten onrechte
AIO-aanvulling hebben ontvangen. Daarnaast heeft de Svb appellanten wegens het schenden van de inlichtingenverplichting over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 een boete opgelegd van € 4.913,13. De hoogte van de boete is als volgt berekend. Over de periode van 1 oktober 2009 tot 1 januari 2013 heeft de Svb de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag (van € 15.831,34). De hoogte van de boete over die periode komt daardoor uit op € 1.583,13. Over de periode van 1 januari 2013 tot en met 7 augustus 2014 heeft de Svb de boete, uitgaande van normale verwijtbaarheid, vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag (van € 6.649,40) en de uitkomst naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. De hoogte van de boete over laatstgenoemde periode komt daarmee uit op € 3.330,-. Het totale bedrag van de boete is de som van de over beide periodes berekende boetes.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat is gericht tegen de boete, gegrond verklaard, dit besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 14 september 2016 in zoverre herroepen en de boete vastgesteld op een bedrag van € 4.907,83. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld:
a. a) dat de Svb gehouden was om de teveel aan appellanten uitgekeerde AIO-aanvulling van hen terug te vorderen en dat in hun geval geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien;
b) dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet tijdig bij de Svb te melden dat zij een woning in Turkije bezitten, zodat de Svb gehouden was hen een boete op te leggen;
c) dat de Svb de boete over de periode vóór 1 januari 2013 terecht heeft vastgesteld op € 1.583,13;
d) dat de Svb voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2013 terecht is uitgegaan van normale verwijtbaarheid, zodat een boete van 50% van het benadelingsbedrag op zijn plaats is;
e) dat in wat appellanten hebben aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen die aanleiding vormen voor verdere matiging van de boete; en
f) dat met ingang van 1 januari 2017 een boete niet meer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, dat met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast en dat dit betekent dat in het geval van appellanten over de periode vanaf 1 januari 2013 een boete van € 3.324,70 passend en geboden is, waarbij de totale boete uitkomt op € 4.907,83.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de boete heeft vastgesteld op € 4.907,83 en het beroep ongegrond heeft verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.