Betrokkene stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres waar hij volgens de minister niet daadwerkelijk woonde. De minister herzag daarom de studiefinanciering en legde een bestuurlijke boete op wegens het niet voldoen aan de voorwaarde van feitelijke bewoning. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en de besluiten vernietigd, omdat zij de verklaring van de bewoner, die stelde dat betrokkene niet woonde op het BRP-adres, onvoldoende betrouwbaar achtte.
De minister stelde in hoger beroep dat de verklaring van de bewoner wel degelijk voldoende bewijs leverde en dat de rechtbank ten onrechte nader onderzoek verlangde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister met de verklaring van de bewoner aannemelijk had gemaakt dat betrokkene niet op het BRP-adres woonde. De Raad vond dat de verklaring betrouwbaar was, ondanks dat de bewoner niet ingeschreven stond en pas kort op het adres verbleef.
Verder was er geen bewijs dat de bewoner zijn verklaring had ingetrokken en leverden de overgelegde bankafschriften geen bewijs van bewoning op. De Raad concludeerde dat nader onderzoek en het horen van de hoofdbewoner niet noodzakelijk waren. Het hoger beroep slaagde, het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard.