Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.172,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 juli 2014;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving studiefinanciering als uitwonende studerende, maar een controle op het brp-adres wees uit dat hij daar niet daadwerkelijk woonde. De minister herzag de studiefinanciering en legde een bestuurlijke boete op. De rechtbank matigde de boete vanwege onduidelijkheid over de periode van niet-wonen en geringe verwijtbaarheid.
De minister stelde hoger beroep in tegen de matiging, betrokkene incidenteel tegen de herziening. De Raad analyseerde het bewijs, het wettelijk kader en het toepasselijke vermoeden dat niet op het brp-adres werd gewoond. De Raad bevestigde dat het vermoeden terugwerkt tot maximaal 12 maanden voor de controle en dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd voor een langere periode.
De Raad oordeelde dat de boete passend is op 50% van het teruggevorderde bedrag over de periode vanaf 1 februari 2013 tot de controle. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van woonachtig zijn op het brp-adres. De Raad vernietigde het eerdere boetebesluit en stelde de boete vast op €1.172,-, waarmee de uitspraak deels werd bevestigd en deels vernietigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €1.172,- en het incidenteel hoger beroep wordt afgewezen.