ECLI:NL:CRVB:2020:202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheidstoets en beëindiging recht op ziekengeld tuinbouwmedewerker
Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker en ontving na het einde van zijn dienstverband een WW-uitkering. Hij meldde zich ziek met lichamelijke klachten en kreeg aanvankelijk een voorschot op ziekengeld toegekend. Een arts van het UWV verklaarde appellant geschikt voor zijn laatst verrichte arbeid en stelde vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank volgde dit oordeel en vond dat het volledige ziektebeeld, inclusief voetklachten, voldoende was betrokken bij de medische beoordeling. Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in die twijfel aan de beoordeling zou rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de voetklachten neurologisch van aard zijn en niet met het blote oog waarneembaar, waardoor een verzekeringsarts geen juist oordeel kan geven. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg was betrokken. Er was geen aanwijzing voor neurologische problematiek en appellant was geschikt voor zijn werk.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geschikt is voor zijn laatst verrichte arbeid wordt bevestigd.