ECLI:NL:CRVB:2020:2037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na ziekte
Appellante was tot eind 2013 werkzaam als medewerker pallethandel en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf oktober 2016 meldde zij zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe. Bij een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende dat appellante 95,09% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Op basis hiervan beëindigde het UWV haar Ziektewet-uitkering.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij nog niet in staat was te werken, onder meer omdat zij door de gemeente was vrijgesteld van arbeidsverplichtingen en haar psychiater haar beperkingen bevestigde. Het UWV verwees naar de reeds bekende medische informatie en de zorgvuldige beoordeling door verzekeringsartsen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad acht het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De vrijstelling door de gemeente leidt niet tot een andere conclusie omdat andere criteria worden gehanteerd. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.