ECLI:NL:CRVB:2020:2038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wlz-indicatie wegens ontbreken verstandelijke handicap
Appellant, een minderjarige met ADHD, vroeg zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant een verstandelijke handicap heeft die toegang tot de Wlz rechtvaardigt. De medisch adviseur van CIZ concludeerde dat de IQ-score mogelijk werd beïnvloed door psychiatrische problematiek en dat beperkingen in het adaptief functioneren nog niet zodanig zijn dat blijvende ondersteuning noodzakelijk is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat hij wel degelijk een verstandelijke handicap heeft en dat beperkingen in het adaptief functioneren aanwezig zijn. De Raad stelde vast dat de medisch adviseur zorgvuldig en op basis van beschikbare medische informatie, waaronder een psychodiagnostisch onderzoek en huisartsgegevens, tot zijn oordeel is gekomen.
Appellant heeft het medische advies onvoldoende onderbouwd weersproken. De Raad concludeerde dat CIZ terecht geen Wlz-indicatie heeft verstrekt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de Wlz-indicatie wegens ontbreken van een verstandelijke handicap wordt bevestigd.