ECLI:NL:CRVB:2020:2039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wlz-indicatie wegens ontbreken verstandelijke handicap
Appellant, geboren in 2000, vroeg in 2015 bij het CIZ een indicatie aan voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat er geen sprake was van een verstandelijke handicap die toegang tot de Wlz rechtvaardigt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk een verstandelijke handicap heeft, onderbouwd met een TIQ van 82 in 2014 en beperkingen in adaptief functioneren. Het CIZ verweerde zich met het standpunt dat de IQ-meting beïnvloed was door psychiatrische problematiek en dat de beperkingen in het dagelijks functioneren onvoldoende waren om een Wlz-indicatie te rechtvaardigen.
De medisch adviseur van het CIZ bracht een advies uit waarin werd vastgesteld dat appellant ADHD heeft en een psychiatrische grondslag, maar geen verstandelijke handicap. De Raad oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig en juist was en dat appellant dit onvoldoende had weersproken. Er was geen aanwijzing voor een verblijfssituatie met permanent toezicht of 24-uurs zorg.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om Wlz-indicatie wordt afgewezen.