ECLI:NL:CRVB:2020:2048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van oordeel UWV over geschiktheid voor werk magazijnbeheerder ondanks psychische klachten
Appellant was werkzaam als magazijnbeheerder en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op 12 december 2017 vast dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd. De rechtbank vernietigde het besluit omdat onterecht was uitgegaan van de functie callcenter medewerker, maar bevestigde dat appellant geschikt was voor het werk als magazijnbeheerder.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn psychische en lichamelijke beperkingen, waaronder het starten van EMDR-therapie en het gebruik van medicatie met mogelijke bijwerkingen. Ook stelde hij dat borderline en paranoïde persoonlijkheidsstoornis reeds bestonden op de datum in geding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die zijn stellingen ondersteunen. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep was op de hoogte van de therapie en klachten en concludeerde dat appellant geschikt was voor het werk. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het oordeel dat appellant geschikt was voor het werk als magazijnbeheerder wordt bevestigd.