Uitspraak
19 2108 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende op 28 maart 2018 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet. Tijdens het intakegesprek leverde zij alle gevraagde bewijsstukken in, behalve kopieën van bankafschriften van een en/of rekening met haar ex-echtgenoot. Het college bood haar een hersteltermijn om deze gegevens alsnog te overleggen, met de waarschuwing dat bij uitblijven de aanvraag niet verder behandeld zou worden.
Appellante verscheen niet op de afgesproken datum, leverde slechts afschriften van haar eigen bankrekening aan en niet van de en/of rekening. Het college stelde de aanvraag daarom buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het echtscheidingsconvenant voldoende informatie gaf en dat zij door stress niet in staat was tijdig de stukken te overleggen. De Raad oordeelde dat het convenant niet tijdig was ingediend en dat een bankverklaring noodzakelijk was om vast te stellen dat zij geen toegang meer had tot de en/of rekening. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder een bankverklaring had aangevraagd of dat zij hulp had gezocht bij het behartigen van haar belangen.
De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijstand is buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van gevraagde bankgegevens.