ECLI:NL:CRVB:2020:2059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit buitenlandbijdrage en geen schending hoorplicht
De appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het CAK waarin een buitenlandbijdrage over de periode van mei tot en met december 2016 werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat appellant zijn bezwaren schriftelijk en mondeling tijdens de zitting kon toelichten.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn wettelijke rechten waren geschonden omdat hij niet in de bezwaarfase voldoende gelegenheid had gekregen om gehoord te worden en dat hij daarom beroep moest instellen om zijn rechten te waarborgen. De Raad stelde vast dat het CAK appellant tijdig had geïnformeerd en uitgenodigd voor een hoorzitting, maar dat appellant zelf had afgezien van deelname zonder uitstel te vragen.
De Raad concludeerde dat het CAK voldoende gelegenheid had geboden voor het horen van appellant en dat er geen sprake was van schending van de hoorplicht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.