ECLI:NL:CRVB:2020:2064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid onder 35%
Appellant, sinds 2004 werkzaam als metaalbewerker, meldde zich in 2013 ziek met lichamelijke klachten en vroeg in 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidsdeskundig advies vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, waarbij hij onder meer een taalbarrière en onvoldoende erkenning van zijn klachten aanvoerde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. Het UWV had functies geselecteerd die appellant passend achtte, ondanks zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, maar de Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en de beperkingen juist had vastgesteld. De geselecteerde functies waren passend bij zijn opleidingsniveau en de beperkte taalvaardigheid vormde geen belemmering voor het uitvoeren van eenvoudige productiewerkzaamheden.
Hoewel het tweede besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het besluit inhoudelijk juist was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigert daarom de WIA-uitkering toe te kennen.