ECLI:NL:CRVB:2020:2078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig logistiek medewerkster, verzocht om een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval. Het UWV had dit geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel bezwaar- als beroepsprocedures bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant en de Centrale Raad van Beroep wezen het verzoek af.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat, mede door het ontbreken van een tolk en onvoldoende waardering van een psychiatrisch rapport. Ook stelde zij dat haar opleidingsniveau lager was, waardoor bepaalde functies niet passend zouden zijn. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de klachten, en dat de psychiatrische diagnose niet leidde tot andere beperkingen dan reeds vastgesteld.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat het opleidingsniveau correct was vastgesteld. De argumenten over taalbarrière en opleiding werden verworpen omdat de functies eenvoudig van aard zijn en appellante geacht wordt deze te kunnen vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en weigering van WIA-uitkering bevestigd.