ECLI:NL:CRVB:2020:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als brandwacht, meldde zich ziek met hartklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn oude werk, maar wel voor andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 14,34%.
Het UWV weigerde de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over onjuiste vaststelling van beperkingen en ongeschiktheid voor de geselecteerde functies. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek en de functionele beoordeling zorgvuldig en overtuigend waren uitgevoerd, en dat er geen nieuwe medische stukken waren die aanleiding gaven tot twijfel.
De Raad bevestigde het oordeel dat appellant niet voldoende arbeidsongeschikt is voor een WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.