ECLI:NL:CRVB:2020:2097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar ZW-uitkering per 16 juni 2017 te beëindigen, omdat zij volgens het UWV geschikt was om haar vroegere werk als schoonmaakster te hervatten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek en het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren ingeschat, met name vanwege psychische klachten en ontregelde diabetes mellitus waarvoor zij medicatie gebruikt. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank waren beoordeeld en verworpen. Omdat appellante haar gronden niet nader onderbouwde, voegde de Raad niets toe aan het oordeel van de rechtbank.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. Hiermee blijft het besluit van het UWV in stand dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd op grond van geschiktheid voor het eigen werk.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor haar eigen werk.