ECLI:NL:CRVB:2020:2123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening Wajong-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft in 2004 een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege een gecompenseerde congenitale hydrocephalus en aanvallen van bewustzijnsverlies. Dit verzoek werd in 2005 afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid toen minder dan 25% bedroeg. In 2016 vroeg zij om herbeoordeling, maar het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of medische gegevens waren die een herziening rechtvaardigden.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische informatie geen nieuw licht wierp op haar situatie op haar achttiende. Ook werd geen onafhankelijke deskundige benoemd, mede op basis van het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
In hoger beroep voerde appellante aan dat een onafhankelijke medische deskundige noodzakelijk was voor een goede beoordeling. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en onderschreef de eerdere overwegingen dat er geen aanleiding was tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek tot herziening heeft afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen op het Wajong-besluit van 2005 wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.