ECLI:NL:CRVB:2020:2136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat zij zich ziek had gemeld met fysieke en psychische klachten. Het UWV weigerde de WIA-uitkering en beëindigde later de ZW-uitkering, omdat verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante in staat was om passende arbeid te verrichten. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond en oordeelde dat de medische belastbaarheid zorgvuldig en overtuigend was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, mede onderbouwd met een brief van haar psycholoog. De Raad volgde deze stelling niet en stelde dat de aanvullende medische informatie geen nieuwe gezichtspunten bood die aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. De arbeidsdeskundige had bovendien vastgesteld dat de geduide functies medisch geschikt waren voor appellante.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.