ECLI:NL:CRVB:2020:214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk na regularisatieovereenkomst met Sociale Verzekeringsbank
Appellant had bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een verzoek ingediend voor een regularisatieovereenkomst met betrekking tot de toepasselijke wetgeving over de periode van mei 2010 tot november 2011. Dit verzoek werd door de Svb afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar gegrond en veroordeelde de Svb tot vergoeding van kosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure is door de Svb alsnog een regularisatieovereenkomst gesloten met appellant over de betreffende periode. Hierdoor was er geen belang meer bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 30 januari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het procesbelang is komen te vervallen na het sluiten van een regularisatieovereenkomst.