ECLI:NL:CRVB:2020:2140

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2020
Publicatiedatum
10 september 2020
Zaaknummer
18/5641 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig postbezorger, meldde zich ziek met klachten aan de linkerarm en -schouder en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet vier uur per dag met toetsenbord en muis kan werken en dat onvoldoende rekening is gehouden met compensatiegedrag van zijn rechterarm. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant, zoals blijkt uit gedetailleerde medische rapporten en de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht is vastgesteld op minder dan 35%. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

18/5641 WIA
Datum uitspraak: 10 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2018, 17/7171 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als postbezorger voor 37 uur per week. Op 2 april 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met klachten van de linkerschouder en linkerarm. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 31 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 3 oktober 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 3 november 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden geeft het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Wat appellant heeft aangevoerd legt onvoldoende gewicht in de schaal om verdergaande beperkingen aan te nemen. Het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is inzichtelijk. Er is een beperking opgenomen voor werken met toetsenbord en muis, en met eventuele overbelasting van de rechterarm is rekening gehouden. De functies worden voor appellant geschikt geacht.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet 4 uur per dag kan werken met toetsenbord en muis. Ten onrechte is nog altijd geen rekening gehouden met het te verwachten compensatiegedrag van de rechterarm. Daarom kan appellant de geselecteerde functies niet verrichten. Hij maakt onveranderd aanspraak op een IVA-uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 maart 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en gemotiveerd geoordeeld waarom zij niet slagen. De verzekeringsarts heeft onderzoek gedaan naar de functie van de linkerarm. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gesproken en de informatie van de orthopedisch chirurg bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport van 3 oktober 2017 is overtuigend toegelicht dat voldoende rekening is gehouden met de beperkte belastbaarheid van de linkerarm in statisch en dynamisch opzicht. In het rapport van 12 maart 2019 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op het voorkomen van overbelasting van de rechterarm.
4.4.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Daaraan wordt toegevoegd dat in de geselecteerde functies werken met toetsenbord en muis niet gedurende meer dan 3 uur per dag voorkomt.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) L.E. König