ECLI:NL:CRVB:2020:2149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot regularisatie sociale zekerheidsbijdragen en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om geen medewerking te verlenen aan regularisatie van sociale zekerheidsbijdragen over het jaar 2009. De Raad had eerder een eerdere beslissing vernietigd en opdracht gegeven tot een nieuwe beslissing op bezwaar.
Bij het bestreden besluit concludeerde de Svb dat er geen bijzondere omstandigheden waren die regularisatie rechtvaardigen. Appellant voerde aan dat de Svb beperkte beleidsvrijheid heeft en dat er sprake was van een nettoloonafspraak en vertrouwen op Luxemburgse documenten, maar de Raad oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om tot regularisatie over te gaan.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. De Raad stelde vast dat de procedure meer dan vier jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt, en veroordeelde de Svb tot een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- en betaling van proceskosten.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van de Svb, en veroordeelde de Svb tot vergoeding van schade en kosten. De uitspraak werd gedaan door A. van Gijzen op 7 september 2020.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Svb wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.