Appellante diende op 21 maart 2017 een aanvraag in voor een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die zou zijn ingetreden op 1 april 1990. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de vereiste wachttijd van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid niet was volbracht. Dit besluit werd ook in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische rapporten van verzekeringsartsen zorgvuldig en concludent waren en dat er geen harde medische gegevens waren die aantoonden dat appellante gedurende de relevante periode onafgebroken arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar geestelijke gesteldheid de late aanvraag verklaart en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was. Zij stelde dat de verzekeringsartsen haar niet persoonlijk hadden onderzocht en dat het rapport van Ergatis aannemelijk maakte dat zij wel 52 weken arbeidsongeschikt was geweest. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het risico van een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt en dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was, ook zonder persoonlijk onderzoek vanwege het tijdsverloop.
De Raad vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de wachttijd had doorlopen. Het rapport van Ergatis overtuigde niet omdat het uitging van wisselende klachten en onvoldoende onderbouwing gaf voor onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Ook de eigen verklaring van appellante was geen objectief medisch bewijs. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.