Uitspraak
12 november 2015, 14/3806 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als loodsmedewerker, meldde zich in 2003 ziek met psychische klachten en werd in maart 2004 door het UWV hersteld verklaard, waarna hij geen recht meer had op ziekengeld. Latere aanvragen voor een WAO- en WIA-uitkering werden afgewezen omdat appellant niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was geweest, een vereiste wachttijd volgens de WAO.
Appellant voerde aan dat hij door psychische beperkingen per 5 maart 2004 arbeidsongeschikt bleef, waardoor de hersteldverklaring onjuist zou zijn en hij recht zou hebben op een WAO-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat er geen medische feiten of omstandigheden waren die deze hersteldverklaring onjuist maakten en dat appellant binnen vier weken na die datum niet opnieuw arbeidsongeschikt was geworden.
De Raad volgde deze conclusie en wees erop dat appellant bij een laattijdige aanvraag het risico draagt om met medisch objectiveerbare stukken aan te tonen dat de wachttijd is doorlopen. De door appellant ingebrachte medische stukken boden onvoldoende bewijs om de hersteldverklaring te betwisten. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering wegens niet vervulde wachttijd na hersteldverklaring.