Appellant vroeg op 22 september 2015 een WIA-uitkering aan met het standpunt dat hij sinds 1 mei 2007 arbeidsongeschikt was. Het UWV wees de aanvraag af omdat geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld binnen de verzekerde periode tot 30 januari 2009. Appellant ging in bezwaar en beroep, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door autisme spectrum stoornis (ASS) en psychische kwetsbaarheid onderschat waren en dat hij vanaf 1 februari 2012 niet over benutbare mogelijkheden beschikte. Het UWV baseerde zich op aanvullend onderzoek en concludeerde dat appellant per 1 februari 2012 weer passende functies kon vervullen met een arbeidsongeschiktheid van 21,82%.
De Raad oordeelde dat het standpunt van appellant niet wordt ondersteund door de medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen zorgvuldig gemotiveerd, rekening houdend met de kwetsbaarheid voor overbelasting, maar stelde dat appellant in staat was om functies te vervullen zonder overvraging. De gekozen datum 1 februari 2012 is navolgbaar, ondanks enige onzekerheid over het precieze kantelpunt.
De Raad bevestigde dat er geen ononderbroken periode van arbeidsongeschiktheid was vanaf 1 februari 2012 tot de aanvraagdatum en dat appellant geen aanspraak kon maken op een WIA-uitkering. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten wegens gewijzigde motivering in hoger beroep.