ECLI:NL:CRVB:2020:2162

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2020
Publicatiedatum
15 september 2020
Zaaknummer
18/1396 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens toekenning WIA-uitkering

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV omtrent zijn uitkering en stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure heeft het UWV op 26 november 2019 alsnog een WIA-uitkering toegekend aan appellant, waarmee aan diens bezwaren werd voldaan. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het UWV.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot proceskostenveroordeling in behandeling genomen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming aan de bezwaren worden veroordeeld in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat appellant vanaf 30 augustus 2015 ernstigere beperkingen had dan door het UWV was aangenomen, waardoor de ZW-uitkering niet had mogen worden ingetrokken en een beoordeling op grond van de WIA had moeten plaatsvinden. Deze beoordeling is nu alsnog uitgevoerd.

De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, begroot op in totaal € 2.625,-, bestaande uit kosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 16 september 2020 door voorzitter J.P.M. Zeijen.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 2.625,- aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 september 2020
18/1396 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
30 januari 2018, 17/3967 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant ] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 26 november 2019 de beslissing genomen om alsnog een WIA-uitkering aan appellant toe te kennen.
Bij brief van 14 januari 2020 heeft mr. Hanenberg namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de toekenning van de WIA-uitkering van 26 november 2019 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Door de vaststelling dat appellant vanaf 30 augustus 2015 onverminderd ernstigere beperkingen had dan is aangenomen door het Uwv staat ook vast dat de ZW-uitkering per die datum niet ingetrokken had mogen worden en er per einde wachttijd een beoordeling op grond van de WIA had moeten plaatsvinden, hetgeen nu alsnog is gebeurd.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.050,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting), € 1050,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 525,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.625,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van
L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
16 september 2020.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.R. Scherpenzeel-Carlier
IvR