ECLI:NL:CRVB:2020:2164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als medewerker keuken en bediening en meldde zich ziek op 18 mei 2015. Na een wachttijd weigerde het Uwv per 3 juli 2017 een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd geschikt geacht voor diverse functies. Tegen dit besluit werd bezwaar en beroep ingesteld, maar deze werden ongegrond verklaard.
Op 12 oktober 2017 meldde appellante zich opnieuw ziek met klachten aan rug, linker bil en been. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 26 februari 2018 na een medisch onderzoek waarbij zij geschikt werd geacht voor eerder geselecteerde functies. Het bezwaar tegen deze beëindiging werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante niet met objectiveerbare gegevens had aangetoond dat zij de functie van productiemedewerker industrie niet kon verrichten. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Raad onderschreef de rechtbank en bevestigde de uitspraak.
De Raad oordeelde dat onder de Ziektewet de maatstaf de laatst verrichte arbeid is, tenzij de verzekerde na maximale duur ziekengeld niet in het oude werk kan terugkeren en geschikt is voor functies uit de WIA-beoordeling. Appellante was geschikt voor ten minste één functie, waardoor zij geen recht meer had op Ziektewetuitkering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante geschikt is voor passende functies.