ECLI:NL:CRVB:2020:2195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster keuken en bediening, meldde zich ziek met psychische klachten na een arbeidsconflict. Het UWV stelde op basis van een medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst vast dat zij belastbaar was met beperkingen en niet geschikt voor haar laatst verrichte werk. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts. Ook de beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies werden juist vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische en fysieke beperkingen werden onderschat en dat zij niet in staat was om te werken. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de gronden van appellante niet slaagden en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies medisch geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.