ECLI:NL:CRVB:2020:22
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant, die sinds 2004 arbeidsongeschikt is vanwege een chronische leverziekte en psychische klachten, kreeg een WGA-uitkering toegekend. Na meerdere medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WGA-vervolguitkering per 24 oktober 2016.
Appellant voerde bezwaar aan tegen dit besluit en stelde dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer vanwege vermoeidheid, een verslechterde leverfunctie en psychische klachten zoals een depressieve stoornis. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling van het UWV als zorgvuldig en overtuigend beoordeelde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere bevindingen. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de medische gegevens en rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen een juiste inschatting van de arbeidsmogelijkheden gaven, en dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die tot een andere beoordeling zou leiden.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld en de WGA-vervolguitkering mocht beëindigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering omdat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant zorgvuldig heeft vastgesteld.