ECLI:NL:CRVB:2020:2206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2013 arbeidsongeschikt na een verkeersongeluk en ontving vanaf 2015 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op 100% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van haar ex-werkgever werd haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelden op minder dan 35%, waarna het UWV de uitkering beëindigde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkt was dan aangenomen, onder meer vanwege hooikoorts en taalproblemen die haar belemmerden bij het volgen van cursussen voor bepaalde functies. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd met medische stukken en dat de verzekeringsarts de belastbaarheid adequaat had vastgesteld.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn, met voldoende afwisseling in werkhouding en dat de cursussen voor de functie snackbereider ook zonder lees- en schrijfvaardigheid in het Nederlands gevolgd kunnen worden. De enkele twijfel van appellante was onvoldoende om het UWV te verplichten cursusmateriaal te overleggen of een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.