ECLI:NL:CRVB:2020:2224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid werkneemster volgens UWV
Werkneemster, laatstelijk werkzaam als marketingmedewerkster, meldde zich in januari 2013 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat zij beperkingen had door een depressieve stoornis, Bechterew, fibromyalgie en artrose. De arbeidsdeskundige concludeerde dat werkneemster niet geschikt was voor haar laatste werk en dat er geen geschikte functies beschikbaar waren in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte niet had vastgesteld dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, en dat het medisch onderzoek onvoldoende was. De Raad overwoog dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij de artsen bezwaar en beroep de beperkingen hadden vastgesteld en onderbouwd. De Raad volgde appellante niet in haar kritiek op de medische beoordeling en de motivering van de urenbeperking en beperkingen.
De Raad oordeelde dat werkneemster terecht volledig arbeidsongeschikt is geacht, maar niet duurzaam, omdat er een reële kans op verbetering bestaat van de psychische klachten. Op grond hiervan is het UWV terecht tot de conclusie gekomen dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de werkneemster is terecht volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht.