Uitspraak
18.3370 WW
OVERWEGINGEN
21 augustus 2017 moet worden aangemerkt als het verschijnen ter hoorzitting. Dit betekent dat de rechtbank voor de kosten in bezwaar terecht 1 punt heeft toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht het UWV om een faillissementsuitkering na het faillissement van zijn werkgever, maar het UWV weigerde dit vanwege schuldvergelijking. Na bezwaar en beroep wees het UWV uiteindelijk een uitkering toe zonder schuldvergelijking. Appellant vorderde vervolgens vergoeding van proceskosten in twee zaken.
De rechtbank kende een forfaitaire proceskostenvergoeding van €1.002,- toe, gebaseerd op twee procespunten en een wegingsfactor van 1, omdat de zaak niet afweek van het gemiddelde qua complexiteit. Appellant stelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, dat de zaak zwaar woog en dat een telefonische hoorzitting had plaatsgevonden, wat een hogere vergoeding zou rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren om af te wijken van de forfaitaire regeling en vond geen bewijs voor een hoorzitting. De eerdere uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de forfaitaire proceskostenvergoeding van €1.002,- en wijst het hoger beroep af.