ECLI:NL:CRVB:2020:2244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en was gedurende een proefplaatsing werkzaam bij een naaiatelier. De sociale recherche stelde vast dat appellant na afloop van deze periode onrechtmatig bijstand ontving omdat hij niet had gemeld dat hij werkzaamheden verrichtte voor een modeshow, waarbij kledingstukken van hem werden verkocht. Het college herzag en trok de bijstand over de periode van 1 februari 2015 tot 14 april 2015 in wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar zijn, ook al waren deze bedoeld als opstap naar zelfstandigheid. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij het college had geïnformeerd of dat hij recht had op bijstand.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel melding had gemaakt en overhandigde foto’s van kledingstukken, maar de Raad achtte deze niet als verifieerbaar bewijs. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.