ECLI:NL:CRVB:2020:2246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op Wajong-uitkering bij wonen buiten Nederland
Appellant, aan wie in 2002 een Wajong-uitkering is toegekend, heeft verzocht zijn uitkering mee te nemen bij terugkeer naar Bonaire. Het UWV heeft dit geweigerd omdat de Wajong-uitkering eindigt zodra de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende redenen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn schuldenproblematiek door het vertrek naar Bonaire zal verbeteren vanwege lagere kosten van levensonderhoud, en dat zijn geestelijke gesteldheid baat zal hebben bij het vertrek, ondersteund door verklaringen van huisarts, praktijkondersteuner GGZ en schoonmoeder. Het UWV heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad oordeelt dat het exportverbod van de Wajong-uitkering het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De door appellant aangevoerde redenen zijn onvoldoende zwaarwegend en het beëindigen van de uitkering leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. De lagere kosten op Bonaire en mogelijke stressvermindering zijn onvoldoende om af te wijken van het exportverbod.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat de Wajong-uitkering eindigt bij verblijf buiten Nederland wordt bevestigd.