ECLI:NL:CRVB:2020:2246

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2020
Publicatiedatum
22 september 2020
Zaaknummer
18/6199 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:19 WajongArt. 2 Besluit Beleidsregels Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op Wajong-uitkering bij wonen buiten Nederland

Appellant, aan wie in 2002 een Wajong-uitkering is toegekend, heeft verzocht zijn uitkering mee te nemen bij terugkeer naar Bonaire. Het UWV heeft dit geweigerd omdat de Wajong-uitkering eindigt zodra de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende redenen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn schuldenproblematiek door het vertrek naar Bonaire zal verbeteren vanwege lagere kosten van levensonderhoud, en dat zijn geestelijke gesteldheid baat zal hebben bij het vertrek, ondersteund door verklaringen van huisarts, praktijkondersteuner GGZ en schoonmoeder. Het UWV heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De Raad oordeelt dat het exportverbod van de Wajong-uitkering het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De door appellant aangevoerde redenen zijn onvoldoende zwaarwegend en het beëindigen van de uitkering leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. De lagere kosten op Bonaire en mogelijke stressvermindering zijn onvoldoende om af te wijken van het exportverbod.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat de Wajong-uitkering eindigt bij verblijf buiten Nederland wordt bevestigd.

Uitspraak

18/6199 WAJONG
Datum uitspraak: 23 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 oktober 2018, BRE 17/8026 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is in 2002 een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. In brieven van 24 november 2016 en 23 februari 2017 heeft appellant aan het Uwv meegedeeld dat hij terug wil keren naar Bonaire en heeft hij verzocht de Wajong-uitkering mee te nemen. Bij besluit van 4 augustus 2017 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant geen recht heeft op een Wajong‑uitkering als hij buiten het grondgebied van Nederland gaat wonen. De uitkering eindigt in dat geval op de eerste dag van de maand nadat appellant buiten het grondgebied van Nederland is gaan wonen. Bij besluit van 16 oktober 2017 is het bezwaar, gericht tegen het besluit van 4 augustus 2017, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank (voor zover hier van belang) overwogen dat de beroepsgrond die betrekking heeft op de hardheidsclausule van artikel 3:19 van Pro de Wajong, niet kan slagen. Niet aannemelijk is dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als de Wajong-uitkering van appellant niet naar Bonaire wordt geëxporteerd. Appellant heeft zijn eerst in beroep ingenomen stellingen over zijn geestelijke gesteldheid en over de gunstige uitwerking die vertrek naar Bonaire daarop kan hebben, niet onderbouwd met objectieve verifieerbare gegevens, zoals een verklaring van een medisch deskundige. Ook valt niet in te zien dat door een dergelijk vertrek de schuldenproblematiek van appellant zal zijn opgelost.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn schuldenproblematiek door vertrek naar Bonaire zal worden opgelost, omdat de kosten van levensonderhoud aldaar goedkoper uitvallen dan in Nederland. Daardoor zal appellant meer geld voor aflossingen overhouden, hetgeen zijn schuldenproblematiek ten goede komt. Over de gunstige uitwerking die een vertrek naar Bonaire op zijn geestelijke gesteldheid zal hebben, heeft appellant in hoger beroep een verklaring van zijn huisarts en praktijkondersteuner GGZ, en een verklaring van zijn schoonmoeder ingebracht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de overweging van de rechtbank dat het Uwv terecht geen onbillijkheid van overwegende aard heeft aangenomen als bedoeld in artikel 3:19, negende lid, van de Wajong, die aanleiding had moeten geven tot toepassing van de hardheidsclausule.
4.2.
In artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.3.
In artikel 2 van Pro het Besluit Beleidsregels is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:
a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;
b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;
c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.
4.4.
In de toelichting bij het Besluit Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.
4.5.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant in beroep aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid, zoals onder 2 weergegeven, worden onderschreven. In de in hoger beroep overgelegde verklaringen wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Van belang in dit verband is dat het exportverbod van de Wajong-uitkeringen blijkens de wetsgeschiedenis het uitgangspunt is. De hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden, die door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit Beleidsregels en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. Het enkele feit dat de kosten van levensonderhoud op Bonaire voor appellant en zijn gezin lager zullen zijn en dit de stressklachten van appellant die mede verband houden met zijn financiële situatie zou kunnen verminderen, is hiervoor onvoldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover terecht opgemerkt dat niet valt in te zien dat zaken als het oplossen van financiële problemen niet ook in Nederland gerealiseerd kunnen worden.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellant zich niet met succes op de hardheidsclausule kan beroepen.
5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) A.L. Abdoellakhan