ECLI:NL:CRVB:2020:2251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering Ziektewet-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant ontving een Ziektewet-uitkering van het UWV over de periode 2 juli 2014 tot 18 januari 2015. Het UWV stelde vast dat appellant niet verzekerd was voor de Ziektewet in de voorafgaande periode, omdat er sprake was van een gefingeerd dienstverband. Appellant zou nooit daadwerkelijk werkzaamheden hebben verricht en geen loon hebben ontvangen, waardoor geen feitelijke gezagsverhouding bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat het dienstverband gefingeerd was. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst op het ontbreken van objectief tegenbewijs van appellant. Het rapport van het UWV, verklaringen van voormalige uitzendkrachten en administratieve gegevens ondersteunen de conclusie dat appellant niet als uitzendkracht heeft gewerkt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat loon wel was betaald en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, maar deze gronden zijn volgens de Raad onvoldoende onderbouwd. De verklaring van een derde en de overgelegde loonstroken konden niet overtuigen. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst erop dat het UWV verplicht was de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.
De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 23 september 2020 en bevestigt de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering wegens het ontbreken van een verzekeringsplichtig dienstverband.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering bevestigd.