ECLI:NL:CRVB:2020:227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering na eerstejaars beoordeling door UWV
Appellante, voormalig verpleegkundige, meldde zich op 29 september 2015 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat zij per 7 december 2016 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen in andere functies.
Op 3 mei 2017 besloot het UWV de uitkering opnieuw te beëindigen, gebaseerd op een verzekeringsarts die appellante geschikt achtte voor een andere functie. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor haar ongeschiktheid.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder psychische klachten en pijnklachten, onvoldoende waren meegewogen. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen reden was om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts. Appellante had geen aanvullende medische informatie aangeleverd.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering had ingetrokken en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewetuitkering per 9 mei 2017.