Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
20/2798 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen uitspraak rechtbank inzake WAO

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de WAO. Op 14 augustus 2020 diende verzoeker tevens een verzoek om een voorlopige voorziening in. De aangevallen uitspraak betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen volgens artikel 8:104, tweede lid, geen hoger beroep mogelijk is.

De rechtbank had het verzet van appellant tegen een eerdere uitspraak ongegrond verklaard en zich tevens onbevoegd verklaard. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat zij kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep, zodat zonder nadere inhoudelijke beoordeling kan worden beslist.

Gelet op het bepaalde in de Awb bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor het verzoek daartoe niet-ontvankelijk wordt verklaard. De uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in aanwezigheid van griffier D.S. Barthel, en uitgesproken op 18 september 2020.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken schriftelijk verzet open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

20.2798 WAO, 20/2800 WAO, 20/2801 WAO, 20/2802 WAO, 20/2803, 20/2871 WAO

Datum uitspraak: 18 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020, 20/821, 20/824, 20/825, 20/827 en 20/828 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek van 14 augustus 2020 om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld.
Op 14 augustus 2020 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, tevens voorzieningenrechter, beslist op het verzet van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank, tevens voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:54 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en de voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld
.In de aangevallen uitspraak is ook vermeld dat daartegen geen rechtsmiddel kan worden ingesteld.
De Raad is kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Gelet daarop en op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • verklaart zich onbevoegd;
  • verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2020.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) D.S. Barthel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.