Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de WAO. Op 14 augustus 2020 diende verzoeker tevens een verzoek om een voorlopige voorziening in. De aangevallen uitspraak betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen volgens artikel 8:104, tweede lid, geen hoger beroep mogelijk is.
De rechtbank had het verzet van appellant tegen een eerdere uitspraak ongegrond verklaard en zich tevens onbevoegd verklaard. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat zij kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep, zodat zonder nadere inhoudelijke beoordeling kan worden beslist.
Gelet op het bepaalde in de Awb bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor het verzoek daartoe niet-ontvankelijk wordt verklaard. De uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in aanwezigheid van griffier D.S. Barthel, en uitgesproken op 18 september 2020.
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken schriftelijk verzet open bij de Centrale Raad van Beroep.