ECLI:NL:RBROT:2021:9004

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
17 september 2021
Zaaknummer
ROT 20/5313 en ROT 21/2713
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:54 AwbArt. 3:13 BWArt. 3:15 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij aanvraag bijzondere bijstand huurschuld

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag bijzondere bijstand voor een huurschuld. De rechtbank oordeelt dat eiser veelvuldig en kansloos procedeert en daarbij misbruik van recht maakt door herhaaldelijk beroep te doen op betalingsonmacht zonder voldoende onderbouwing.

De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om herziening af omdat deze geen nieuwe feiten bevatten en eiser gelet op zijn eerdere procesgeschiedenis had moeten weten dat zijn verzoeken kansloos zijn. Er wordt geen ontheffing van griffierecht verleend vanwege het misbruik van recht.

De rechtbank benadrukt dat toekomstige verzoeken van eiser eveneens als misbruik van recht worden beschouwd en dat hij geen ontheffing van griffierecht meer zal krijgen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door rechter H. Bedee en griffier R. Stijnen op 21 september 2021. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep en het herzieningsverzoek van eiser worden niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en weigering van ontheffing van griffierecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/5313 en ROT 21/2713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2021 als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht
in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser tevens verzoeker (hierna: eiser),

en

het college van burgmeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

alsmede in het herzieningsverzoek van eiser met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank van 4 februari 2021 (ROT 19/4184).

Procesverloop

Eiser heeft op 13 oktober 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 7 oktober 2020 (het bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 19 mei 2020, waarbij de aanvraag om bijzondere bijstand in verband met een huurschuld is afgewezen, ongegrond verklaard. Dit beroep is aangelegd met zaaknummer ROT 20/5313.
Eiser heeft op 18 februari 2021 verzocht om heropening van de rechtszaak die is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 4 februari 2021 (ROT 19/4184; ECLI:NL:RBROT:2021:620). Bij die uitspraak is het verzet tegen de uitspraak van 2 december 2019, waarbij het beroep tegen een besluit van verweerder niet-ontvankelijk is verklaard wegens het verzuim om het verschuldigde griffierecht te voldoen, ongegrond verklaard.
Gelet op het beroep van eiser op betalingsonmacht heeft de griffier er vooralsnog van afgezien griffierecht in deze zaken te heffen.

Overwegingen

1. Eiser procedeert veelvuldig. Eiser heeft in zijn eerdere beroepen en verzoeken een beroep gedaan op betalingsonmacht en heeft dit ook in de thans voorliggende zaken gedaan. Gelet op de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bestuursrechter een beroep of een (bijkomend) verzoek niet-ontvankelijk verklaren indien sprake is van misbruik van (proces)recht. Wanneer sprake is van misbruik van recht vormt dit een reden om geen ontheffing te verlenen van de verplichting om griffierecht te voldoen, ook indien sprake is van betalingsonmacht (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:2730, onder 3.1 en 3.2, en ECLI:NL:CRVB:2016:3978, onder 3.1).
2. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
3. Verweerder heeft in de zaak ROT 20/5313 in overeenstemming met het wettelijke kader – in welk verband de rechtbank in aanvulling op het bestreden besluit nog wijst op artikel 49 van Pro de Participatiewet –, zijn beleid en de rechtspraak de aanvraag om bijzondere bijstand voor huurschulden afgewezen omdat zich geen zeer dringende redenen voordoen (vgl. ECLI:NL:CRVB:2018:1553 en ECLI:NL:RBROT:2020:6079). Gelet op het eerdere procedeergedrag van eiser, zijn herhaalde beroep op betalingsonmacht en de door hem aangevoerde gronden, waaronder zijn niet onderbouwde stelling dat sprake is van valsheid in geschrifte en dat zijn schuldensituatie is terug te voeren op eerdere onrechtmatige besluitvorming over zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarover eiser veelvuldig zonder succes heeft geprocedeerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2018:3900 en ECLI:NL:RBROT:2020:3876), moet worden geoordeeld dat sprake is van kwade trouw van de kant van eiser bij het instellen van beroep. Dit procedeergedrag kan niet anders worden gekwalificeerd dan misbruik van recht (vgl. ECLI:NL:CRVB:2021:263). Omdat sprake is van misbruik van recht wordt eiser geen ontheffing van griffierecht gegeven en is het beroep niet-ontvankelijk (vgl. ECLI:NL:RVS:2018:3553, onder 4).
4. Nadat de rechtbank uitspraak had gedaan op het verzet in de zaak ROT 19/4184 heeft de griffie nieuwe stukken van eiser ontvangen in die zaak. Die zijn hem bij brief van 15 februari 2021 retour gezonden omdat reeds uitspraak was gedaan. Vervolgens heeft eiser op 18 februari 2021 verzocht om heropening van de rechtszaak in de zaak ROT 19/4184 onder verwijzing naar de artikelen 3:44 en 6:228 van het BW. Daargelaten dat niet duidelijk is waarop het door eiser gestelde bedrog door de rechtbank of de door hem gestelde dwaling zou moeten zien, stelt de rechtbank voorop dat deze bepalingen geen betrekking hebben op een uitspraak van de rechter. Voorts is er geen wettelijke bepaling aan te wijzen die heropening van het onderzoek mogelijk maakt indien door de bestuursrechter uitspraak is gedaan. Omdat gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb tegen een verzetuitspraak geen hoger beroep openstaat, zoals de Centrale Raad van Beroep eerder heeft overwogen in een door eiser ingesteld hoger beroep tegen een verzetuitspraak van de rechtbank (ECLI:NL:CRVB:2020:2280), ziet de rechtbank geen aanleiding om het stuk van eiser van 18 februari 2021 naar de Raad door te sturen als hoger beroepschrift. De rechtbank zal het daarom aanmerken als een verzoek om herziening in de zin van artikel 8:119 van Pro de Awb. Voorshands is duidelijk dat wat eiser heeft aangevoerd geen nieuwe feiten oplevert als bedoeld in die bepaling. Ook hier zijn voldoende aanknopingspunten om uit te gaan van kwade trouw, nu eiser gelet op zijn eerdere procedeergedrag en de uitspraken die de rechter inmiddels heeft gedaan op eerdere veelvuldige herzieningsverzoeken van eiser, had kunnen en moeten weten dat sprake is van een kansloos verzoek. Omdat sprake is van misbruik van recht wordt eiser geen ontheffing van griffierecht gegeven en is ook dit beroep niet-ontvankelijk.
5. In beide zaken overweegt de rechtbank nog dat aan eiser niet een termijn wordt geboden alsnog het griffierecht te voldoen, niet alleen omdat hij tot op heden stelselmatig heeft geweigerd in zijn vele zaken griffierecht te voldoen, maar ook omdat bij betaling de rechtsmiddelen niettemin niet-ontvankelijk zouden zijn wegens misbruik van recht.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog het volgende op. Bij nieuwe beroepen en verzoeken zal – behoudens aanknopingspunten voor het tegendeel – ervan worden uitgegaan dat eiser misbruik maakt van recht (vgl. ECLI:NL:RBROT:2019:4060). Eiser zal reeds om die reden in toekomstige gevallen geen (voorlopige) ontheffing van het griffierecht meer worden verleend door de griffier. Eiser wordt er in dit verband nogmaals op gewezen dat de door de bestuursrechters gehanteerde criteria voor het verlenen van vrijstelling van griffierecht niet zijn bedoeld om personen de gelegenheid te bieden om zonder enige beperking veelvuldig gratis te kunnen procederen ten koste van publieke middelen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep in de zaak ROT 20/5313 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het verzoek in de zaak ROT 21/2713 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 september 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.