ECLI:NL:CRVB:2020:2296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, heeft een WIA-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht per 30 maart 2014 wegens diverse klachten waaronder hyperhidrosis en sociale angst. Het UWV stelde vast dat appellant per 26 maart 2016 slechts 8,21% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voegde een rapport van een oefentherapeute toe, maar deze rapportage betrof een latere datum en bood geen nieuwe inzichten over de situatie op de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldoet aan de wettelijke criteria voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid boven de 35% en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.