ECLI:NL:CRVB:2020:2301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid 35-45%
Appellante was werkzaam als medewerker financiële administratie en meldde zich in 2008 ziek. Het UWV kende haar in 2011 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Na beëindiging van deze uitkering in 2015 en diverse bezwaar- en beroepsprocedures, meldde appellante in 2018 een toename van haar klachten en vroeg om herbeoordeling.
Een verzekeringsarts stelde in juni 2018 vast dat appellante belastbaar was voor twintig uur per week met beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Het UWV kende daarop een WGA-vervolguitkering toe in de klasse 35 tot 45%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard, waarna ook de rechtbank haar beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat het UWV haar klachten en medicatiebijwerkingen onderschatte. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens had overgelegd die tot een ander oordeel zouden leiden. De Raad zag geen aanleiding een deskundige te benoemen en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de toekenning van de WGA-vervolguitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WGA-vervolguitkering in de klasse 35 tot 45% wordt bevestigd.