ECLI:NL:CRVB:2020:2305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering ondanks geschil over medische beperkingen en taalvaardigheid
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard met een WGA-vervolguitkering na ziekte sinds 2010. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 57,84% en later 60,01%, maar besloot de uitkering niet te verhogen omdat de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd bleef.
Appellante betwistte dit besluit en voerde aan dat haar medische beperkingen en taalvaardigheid onvoldoende waren meegewogen, met name dat de verzekeringsarts onvoldoende informatie had ingewonnen bij haar neuroloog en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren vanwege haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch passend waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stelde dat de medische stukken geen nieuwe informatie bevatten en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Ook werd bevestigd dat appellante voldoende taalvaardigheid bezit of kan verwerven om de functies uit te oefenen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WGA-vervolguitkering niet te wijzigen.