Appellante was werkzaam als activiteitenbegeleidster en meldde zich in 2011 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde in 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Na heropening van de WW-uitkering meldde zij zich in 2014 opnieuw ziek met toegenomen klachten. Het UWV besloot in 2015 dat zij geen recht had op ziekengeld op grond van de Ziektewet, een besluit dat door de rechtbank en later door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op een WIA-uitkering op grond van de Wet Amber en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het niet volledig door een arts was uitgevoerd en geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden. Tevens voerde zij aan dat het UWV de slaapapneu niet had meegewogen en dat de bewijslast onjuist was verdeeld.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij een sociaal medisch verpleegkundige en een verzekeringsarts betrokken waren. Het ontbreken van een lichamelijk onderzoek en het niet opvragen van informatie bij derden leidde niet tot een onzorgvuldig oordeel. De slaapapneu was in de Functionele Mogelijkhedenlijst verwerkt en gaf geen aanleiding tot zwaardere beperkingen. De medische gegevens die appellante overlegde gaven geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een deskundigenonderzoek en geen grond voor een veroordeling in de proceskosten.