ECLI:NL:CRVB:2020:2339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker housekeeping, meldde zich na een bedrijfsongeval ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar wel in staat was om geselecteerde functies te verrichten. Het UWV weigerde de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische stukken onvoldoende onderbouwing boden voor extra beperkingen en appellant geen specifieke arbeidskundige gronden aanvoerde tegen de geselecteerde functies. In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, waaronder hoofdpijn, concentratieproblemen, knieklachten en oogproblemen, en overhandigde medische informatie van een reumatoloog en correspondentie over maatschappelijke ondersteuning.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze nieuwe informatie geen aanleiding geeft tot een ander oordeel, mede omdat deze niet ziet op de relevante datum. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant met de beperkingen in de FML in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.