ECLI:NL:CRVB:2020:2343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte als keukenhulp en meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige stelden in meerdere rapporten dat appellante geschikt is voor bepaalde functies en dat haar beperkingen niet zodanig zijn dat zij volledig arbeidsongeschikt is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en onderbouwd waren. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over volledige arbeidsongeschiktheid door paniekaanvallen en medicatiebijwerkingen, maar de Raad volgde dit niet omdat de medische gegevens dit niet ondersteunen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op minder dan 35% en de WIA-uitkering heeft geweigerd. Er was geen aanleiding om het besluit te wijzigen of de proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.