ECLI:NL:CRVB:2020:2343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
19/663 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante werkte als keukenhulp en meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige stelden in meerdere rapporten dat appellante geschikt is voor bepaalde functies en dat haar beperkingen niet zodanig zijn dat zij volledig arbeidsongeschikt is.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en onderbouwd waren. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over volledige arbeidsongeschiktheid door paniekaanvallen en medicatiebijwerkingen, maar de Raad volgde dit niet omdat de medische gegevens dit niet ondersteunen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op minder dan 35% en de WIA-uitkering heeft geweigerd. Er was geen aanleiding om het besluit te wijzigen of de proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

19.663 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2019, 18/1778 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 oktober 2020
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Namens appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft gewerkt als keukenhulp voor gemiddeld 32 uur per week. Op 3 november 2015 heeft zij zich ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Zij had toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 31 oktober 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 22 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2018 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2018 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2018, in beroep aangevuld met de rapporten van 5 juli 2018 en 18 oktober 2018, blijk geven van een zorgvuldig onderzoek. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 september 2017. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de arbeidsdeskundige in zijn rapporten van 22 februari 2018 en 19 juli 2018 voldoende heeft onderbouwd dat appellante de geselecteerde functies kan vervullen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij niet kan werken wegens haar paniekaanvallen. Appellante stelt dat zij als gevolg van haar psychische klachten en de bijwerkingen van de daarvoor voorgeschreven medicatie meer beperkt is in het persoonlijk en sociaal functioneren dan in de FML van 25 september 2017 is weergegeven.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 oktober 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is of geen benutbare mogelijkheden heeft om te werken. Daarvoor is geen steun te vinden in de over appellante beschikbare medische gegevens. Verwezen wordt naar het rapport van de primaire arts van 26 september 2017 (overweging 4.1), welke visie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 februari 2018 is onderschreven.
4.4.
Wat appellante verder heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en gemotiveerd geoordeeld waarom zij niet slagen. De psychische problemen van appellante en de bijwerkingen van haar medicatie zijn goed in kaart gebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 15 februari 2018, 5 juli 2018 en 18 oktober 2018 inzichtelijk beargumenteerd waarom er geen aanleiding is meer beperkingen in de FML op te nemen.
4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2018, 19 juli 2018 en 30 oktober 2018 voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2020.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) B.V.K. de Louw