ECLI:NL:CRVB:2020:2351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant was werkzaam als eerste machinevoerder en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk geen WIA-uitkering toe vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Later werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid van 63,7%, maar deze werd na bezwaar van de ex-werkgever beëindigd omdat een nieuwe beoordeling een lagere mate van arbeidsongeschiktheid van 29,58% vaststelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, onder meer omdat niet alle beperkingen waren meegenomen en dat een extern rapport onterecht zwaar woog. De Raad concludeerde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren.
De Raad oordeelde dat er geen reden was om de vastgestelde beperkingen te betwijfelen en dat de arbeidsdeskundige beoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid correct had vastgesteld. Hoewel het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd was volgens de Awb, werd dit gebrek gepasseerd omdat het besluit ook met een juiste motivering hetzelfde zou zijn genomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering van appellant is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt afgewezen.